Wat is Elektrisch Roken?

elektrisch-roken-tonbiesemaatnl

Roken is een lastige verslaving waar u moeilijk vanaf komt. Er zijn vele manieren om te stoppen, maar deze blijken vaak niet succesvol. Toen kwam er de elektrische sigaret. De was toen nog niet goed ontwikkeld en kwam niet echt van de markt. Nu, negen jaar later zijn de technieken van het eletrisch roken stukken beter. De elektrische sigaret blijkt een geweldige oplossing om te stoppen.

 

Bij het roken van een echte sigaret vind er verbranding plaats, stoffen zoals teer en koolmonoxide komen vrij. Bij het roken van de elektrische sigaret vind er slechts verdamping plaats, dit is stukken gezonder. Een roker is verslaafd aan nicotine, bij de elektrische sigaret kunt u zelf kiezen welke stoffen u graag gebruikt bij het verdampen.

 

Er zijn vele soorten elektrische sigaretten in verschillende soorten prijsklasse.
We onderscheiden twee soorten:
- Cartomizer: de filter bevat een cartridge met de vloeistof die uiteindelijk verdampt wordt. Deze zijn voor eenmalig gebruik. Het ingebouwde verwarmingselement in de filter van de cartomizer heet atomizer, maar dit is erg verwarrend omdat met dit woord niet wordt bedoeld wat ik hierna ga beschrijven.
- Atomizer: Hierbij is het verwarmingselement herbruikbaar, deze gooi je niet zoals bij de cartomizer weg. Deze cartridge kun je zelf aanvullen met de e-liquid die je zelf wilt. De atomizer heeft veelal een betere rook en smaak, maar kosten ook meer dan de Cartomizer.

 
elektrisch-roken-tonbiesemaatnl
De vloeistoffen (E-liquids)
U kunt zelf kiezen welke vloeistof u wilt, wilt u dicht bij uw eigen merk blijven, dan kiest u een smaak die smaakt naar dat merk. Maar allereerst wordt de sterkte van de nicotine gekozen. Die wordt gebaseerd op het aantal sigaretten die u voorheen per dag rookte.

 

Wilt u ook zelf elektrisch roken? Bezoek dan voor meer informatie: deelektronischesigaret.nl

Ontdekkingsreis Naar De Grens Van De Dood

ontdekkingsreis-tonbiesemaat.nl

Misschien herken je de dood in de ogen wel niet echt. Alleen levende ogen kunnen het navertellen. Ik ben er blind voor. Ondanks dat ik de dood onder ogen zag. Als je het er ontdekkingsreis-tonbiesemaat.nllevend vanaf brengt kijk je de dood wel in de ogen maar niet al te diep. Je staart het aan maar tegelijkertijd geef je je niet over. Een trap tegen z’n kloten kan Magere Hein krijgen!

De dood in de ogen, de volledige overgave aan de dood herken je in nog levende ogen niet. Dode ogen zoals van een pop in het wassenbeeldenmuseum van Madamme Tusseaud staarden me wel eens aan. Het lijk van de Zwitserse klimmer in zijn slaapzak rolde door de diepe sneeuw op de Mount Mckinley in Alaska. De Zwitser was gestikt doordat sneeuwval zijn tent hermetisch had afgesloten. Om de kou te verdrijven had hij ook maar zijn brander in de tent aangestoken. In zijn slaap was hij door zuurstoftekort gestorven. De ‘rangers’ van de bergreddingsdienst trokken hem in zijn slaapzak gewikkeld aan touwen door de sneeuw naar een plek waar een vliegtuigje met ski’s als landingsgestel de ‘pop’ kon oppikken. Dat zou nog dagen duren.

Ik kampeerde hoog op de 6193 meter hoge berg naast de dode Zwitser. De ‘pop’ lag buiten en de ogen staarde nietszeggend in de mist waaruit onophoudelijk sneeuw viel. Ik keek niet de dood in de ogen. Het was geen spiegel die communiceerde, het was een ‘zwart gat’ van de astronomen dat alle individuele energie van wat eens leven was had weggezogen. De ontdekking was dat mensen die de grens opzoeken en flirten met gevaar het leven in al z’n dynamiek opzoeken. Dat heeft niets met de dood te maken, hoogstens kijk je hem even aan maar daarna probeer je uit alle macht te ontsnappen aan het geraamte met de zeis.

Een professionele avonturier accepteert niet dat Magere Hein het voor het zeggen wil hebben. Hij is een beetje een “God in het diepst van zijn gedachten”. Meester over zijn eigen lot of althans dat denkt hij. Dat het toch fout kan aflopen kan hij nooit navertellen. Want de dood in de ogen is een gespreksonderwerp voor optimistische overlevers.

De dood in de ogen. 
Ik herkende hem niet bij die ander. Terwijl die er toen al wel aanwezig moest zijn. Was het juist weer de roep van de wildernis die tijdelijk de dood uit de ogen verjoeg? Ik werd drie jaar geleden opgepikt in de Hornsundfjord van Spitsbergen door de tweemastschoener Noorderlicht. Al jaren werd ik als door een magneet aangetrokken door het poolgebied. Twee weken had ik me met ski’s een weg gebaand over de gletsjers van zuidelijk Spitsbergen. In de Hornsundfjord zou ik opgepikt worden door de Noorderlicht om me naar de beschaafde wereld van noord-Noorwegen te zeilen. Op de Barentszee draaide ik aan het roer de wacht met een andere passagier. Terwijl de koude golven tegen de schoener spatten zag ik zijn ogen glinsteren. Hij was in zijn element.

Maanden later zat ik met een familielid van hem aan de telefoon. “De foto van hem aan het roer op de Barentszee was zoals hij was. Maar ja, je kunt nu eenmaal niet je hele leven zeilen…” De energieke ogen waarmee ik in de koude maar hel verlichte nachten boven de poolcirkel had gefilosofeerd over het leven waren camouflage geweest. De ogen waren op de vlucht geweest en in Nederland waren ze gebroken. Ik had de dood in de ogen weer niet herkend. Mijn mede-reiziger over de Barentszee had zich verhangen op zolder. Weer had ik gefaald bij het herkennen van de dood in de ogen.

De geest van de avonturier
Zoals ik immer nieuwsgierig ben naar wat er achter de avontuurlijke horizon ligt besloot ik ook de geest van de avonturier te gaan onderzoeken. Het was me duidelijk geworden dat in een levensbedreigende situatie dat soort type mensen zich met al hun avontuurlijke levenslust juist tot het einde toe verzetten tegen het dreigende niets. Misschien kon ik door het antwoord op die zoektocht ook achter mijn eigen motieven komen. Waarom al dat ploeteren? Waarom die confrontatie met de wildernis zoeken? Waarom die tientallen jaren van expedities, avonturen en over de rand kijken?

De Amerikaanse schrijver en journalist Jon Krakauer werd een bestseller-auteur door overlevingssituaties te beschrijven. Maar zijn hoofdpersonen zijn juist geen overlevers: de avonturiers die de dood in de ogen keken en de zeis uit zijn handen sloegen. Het zijn allemaal ‘losers’ die de dood vonden door een ongezonde combinatie van te weinig ervaring en een surplus aan dromen over romantiek en roem. Krakauers eerste doorbraak was zijn boek ‘De wildernis in’. Daarin beschrijft hij hoe de dromer Christopher McCandless zonder de benodigde ervaring alleen de wildernis van Alaska intrekt om daar van het land te gaan leven. De jonge Amerikaan wil een pelsjager worden, zijn hang naar een leven dicht bij de natuur is alles overheersend. Maar hij is helemaal niet bestand tegen de onverschillige en niets ontziende kracht van diezelfde natuur. McCandless verhongert en sterft een miserabele dood.

Om te zien hoe je wel spiedend de dood even in de ogen kunt kijken zocht ik Bart de Haas op. Hij kon een gedeelte van de kaart intekenen wanneer je moederziel alleen in de wildernis van de Yukon rondtrekt en van het land moet leven. Bart de Haas is simpel weg gezegd Nederlands enige woudloper die minimaal 6 maanden per jaar door de wildernis van noordwest-Canada trekt. Ik weet hoe goed Bart is omdat ik een keer met hem meeging om op edelherten te jagen. Dat deden we in het armzalige Nederlandse substituut voor de wildernis genaamd Veluwe. Moeiteloos pikte Bart een oud spoor op en volgde dat als Old Shatterhand. Zes uur later hadden we een roedel edelherten te pakken.

In de Canadese wildernis hadden we eten gehad maar op de Veluwe met het pannekoekenhuis op een half uur lopen lieten we het verraste roedel ontsnappen. Toch is Bart de Haas ondanks zijn woudlopergaven in dezelfde problemen gekomen als Christopher McCandles uit Jon Krakauers boek. Maar hij kan het wel navertellen. Bart de Haas: “Tijdens een maanden lange solotocht van de toendrakust van de Noordelijke IJszee naar de wouden van British Columbia kon ik simpelweg niet genoeg eten onderweg vinden. Er waren geen bessen te vinden en ik kreeg ook niet vaak genoeg kleinwild voor het vizier van m’n geweer. Ik had een zware rugzak op en moest blijven doorlopen om m’n einddoel te halen. Het is nu eenmaal onmogelijk om uit te stappen en op hulp te wachten. Er is gewoon geen mens in de buurt.

Ik was de totale uitputting nabij en al zo’n 15 kilo afgevallen. Alle energie was uit mijn lichaam weggevloeid. Het makkelijkste was het geweest om maar gewoon op te geven en te gaan liggen. Dat heb ik op een gegeven moment ook gedaan, ik zakte weg in een diep coma maar werd na uren plotseling toch weer wakker door de snijdende kou. Het vroor dat het kraakte en was het echt m’n geluk dat ik me uit die uitputtingsslaap wist te ontworstelen. Had ik dat niet gedaan dan was ik door onderkoeling gestorven. Ik heb me half opgericht en terwijl ik op de grond zat m’n rugzak omgehesen. Die kon ik staand niet meer op m’n rug krijgen. Daarna ben ik moeizaam overeind gekrabbeld.

Ik had me vast voorgenomen gewoon elke vijf minuten door te strompelen en dan weer even te rusten. Maar ik moest doorgaan want anders zou ik sterven. Op die manier ben ik dagenlang doorgegaan totdat ik een blokhut in de wildernis wist te bereiken waar ik weer op krachten kon komen. Doordat ik weigerde op te geven en zeker wist dat ik zou overleven heb ik het toen gered.” In het boek van Jon Krakauer kan de mislukte woudloper Christopher McCandles een reddende weg naar de beschaving niet bereiken omdat hij een snel stromende rivier niet weet over te steken. Hij durft zelfs het risico niet te nemen om het gevecht met de rivier aan te gaan.

Voor Bart de Haas die steunt op een levenservaring van decennia in de wildernis is een vergelijkbare wilde rivier ook een levensbedreigend obstakel maar hij weet dat hij er doorheen moet. En soms heeft hij geen andere keus dan zo’n rivier op een levensgevaarlijk punt over te steken. Bart de Haas: “Ik moest een rivier met ijskoud en snelstromend water oversteken. Toen ik ongeveer halverwege was voelde ik dat ik meegesleurd zou worden. De stroming walste tegen m’n benen en middel. Ik voelde dat ik omvergedrukt werd. Er was niets tegen te doen. Het koude water begon m’n spieren al te verlammen. Toen was het makkelijkste geweest om me over te geven en weg te zinken in de onderkoeling en verdrinking. Te denken van : ik red het niet. Ik bleef echter nadenken en zou gewoon de overkant bereiken. Dat wist ik gewoon zeker. Ik heb me met de stroming mee laten drijven. Ik dwong m’n hersenen om het lichaam te laten overleven.

Zwemmen, zwemmen, met de stroom mee, dacht ik. Daarbij bleef ik de situatie inschatten om met de stroom mee te zwemmen. Met krachtige slagen wist ik de reddende oever te bereiken. Geen haar op m’n hoofd die er aan dacht om op te geven. Dat verdomde ik gewoon. Het was eigenlijk een kwestie van logisch handelen.”

Geen spoortje angst of opwinding
De levenskracht van Bart de Haas in de extreme overlevingssituatie is voor mij herkenbaar. In acute, snelle noodsituaties zoals bij het bijna verdrinken lijkt de overlever gericht op snel en efficiënt handelen. Soms komt dat als ik een dergelijke situatie beschrijf absurd over. Zou ik het werkelijk meegemaakt hebben? Of is het een rationalisatie van een flits waarbij het lot bepaalde dat mijn tijd om te sterven nog niet gekomen was? Ik kan me nog zo goed herinneren dat ik van de steile berg Dent Blanche in de Zwitserse Alpen afdaalde. De top had ik op zak en overmoedig schreeuwde ik tegen mijn tochtgenoot dat we het klimtouw wel in de rugzak konden opbergen. De euforie van de geslaagde beklimming maakte me nonchalant. Dat werd genadeloos afgestraft toen ik struikelde.

Ik wist m’n evenwicht niet te herstellen. En toen leek het of de tijd stil stond. Merkwaardig genoeg leek het of ik over zeeën van tijd beschikte om de situatie te herstellen. In werkelijkheid vloog ik door de lucht, een slachtoffer van de zwaartekracht en zou ik straks te pletter moeten slaan. Maar die gedachte kwam niet bij me op. Ik had juist alles onder controle. “Als ik nu m’n rechterhand in de rotsspleet verklem die komt voorbij vliegen dan ben ik gered.” In die idiote logische gedachte geloofde ik rotsvast. Natuurlijk was mijn snelheid al zo groot dat mijn vingers helemaal geen grip kregen.

Niet in het minst in paniek (en we hebben het over een tijdflits!) probeerde ik m’n linkerhand in een andere voorbij schietende rotsspleet te verklemmen. Uiteraard met hetzelfde mislukte resultaat. Mijn hersenen waren razendsnel en haarscherp alles aan het registreren dat me kon redden. Ik keek naar beneden en zag in snel tempo een sneeuwveld op me afkomen. “Als ik nu probeer keurig op m’n benen te landen en meeveer dan heb ik een kans dat ik het overleef.” Het lichaam voerde die opdracht probleemloos uit. De dikke sneeuw ving de val van zo’n 10 meter hoogte op. Niet in het minst verbaasd dat ik het overleefd had of zelfs geen botbreuken of andere blessures had riep ik alleen maar: “Caramba!”. Een kreet uit een stripboek van Kuifje dat ik eens gelezen had! Geen spoortje angst of opwinding was er verder in mij te bespeuren.

Zonder problemen beklom ik de steile rotswand waarlangs ik naar beneden was gevallen. Ontspannen daalde ik af naar het dal. Ik had werkelijk alles onder controle gehad. Die ervaring van alles onder controle hebben bij een bergsportongeluk is me later nooit meer overkomen. Later in mijn leven gleed ik over een steile ijsgoot reddeloos naar beneden en wist ik zeker dat ik zou sterven. Ik vond het verschrikkelijk en de enige gedachte die bij me opkwam is dat ik niet in die donkere hel van een gletsjerspleet opgeslorpt wou worden. Door stom geluk kwam ik toen wel met gebroken ribben en kneuzingen vlak voor de ijsafgrond tot stilstand.

De levenskracht van Bart de Haas dreef hem voort naar zijn overleving. Dat maakte me niets wijzer. Hoe zou het zijn om een zelfde soort onherroepelijke ervaring te hebben als ik had toen ik geen hoop meer zag terwijl ik over de ijsgoot naar beneden gleed? Ik ging op weg om de ervaringen van wrakduiker Ben Stiefelhagen op te tekenen. Wanneer de lucht in je fles onder water op raakt en je zit vast in een scheepswrak dan kijk je door je duikbril toch wel de dood in de ogen?

Narrow escapes
Ben Stiefelhagen duikt al tientallen jaren op de vele scheepswrakken die over de hele wereld verspreid liggen. Zijn grootste speelterrein is de Noordzee waar letterlijk duizenden wrakken nog liggen te wachten op verkenning van ervaren sportduikers. Met zijn duikschool Get Wet exploreert Ben die wrakken.

Ben Stiefelhagen : “Ik heb meerdere narrow escapes gehad dat ik met m’n laatste lucht boven kwam. Ik was een keer aan het duiken op een viskotter voor de kust van Scheveningen. Het was een schip dat door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog was gebruikt als marineschip. Op het voordek hadden ze een kanon geïnstalleerd en het ruim onder het kanon versterkt met palen. Anders zou bij het afvuren van het kanon het dek openscheuren. Ik had al veel vaker op het wrak gedoken en wist dat de ruimte onder het kanon bestond. Via een luik van ongeveer een vierkante meter kon je in het ruim binnendringen.

Ik had al aardig wat lucht verbruikt bij de inspectie van het wrak. Ik wilde toch nog even kijken in het ruim omdat ik er al eens leuke porseleinen borden en kopjes met bijvoorbeeld hakenkruizen er op had gevonden. Samen met m’n duikmaat Melvin besloot ik de ruimte te gaan verkennen. Er lag een schuine zandhelling in het ruim bij de ingang waardoor je er eerst via je zwemvliezen schuin in moest laten glijden. We begonnen driftig te wroeten in de kleine ruimte die dus ook nog vol stond met die palen. Daardoor hadden we enorm veel zand laten opdwarrelen waardoor het zicht in het ruim was gereduceerd tot nul.

Ik besloot het ruim te verlaten omdat m’n lucht op begon te raken, ik zat al in m’n reserve hoeveelheid lucht. Dat geeft je nog zo’n 10 minuten lucht. Tastend door het ruim zwom ik tegen de zandhelling op. Maar ik kon niet de uitgang vinden. Ik begon nu wel nerveus te worden. Van 50 bar was de manometer teruggelopen naar 40 bar. Bij de voorpunt van het schip zaten een paar kleine gaten. Ik keek naar buiten toe waar het wel helder zicht was en zag twee duikers voorbij zwemmen. Met de lamp seinde ik naar de duikers maar die zagen me niet. Toen wist ik dat het tijd werd voor een alles-of-niets poging. Tot overmaat van ramp begon de lamp te knipperen, een teken dat de batterij leeg begon te raken. Nu hadden Melvin en ik nog maar 30 bar.

Ik gebaarde naar Melvin dat we de duikflessen af moesten doen. Met de flessen hebben we tegen een gat in de voorpunt van het wrak geramd terwijl we de ademautomaat in onze monden hielden. We wisten het gat groter te maken. Daardoor kon eerst Melvin uit het schip wurmen. Dat ging maar net. Ik gaf hem zijn duikflessen weer aan, daarna gaf ik hem mijn duikflessen en wist ik me uit het gat te wurmen. Toen konden we de opstijging naar de oppervlakte maken. Het had echt niet langer moeten duren of het was gebeurd geweest. We hadden nog voor misschien twee minuten lucht gehad.”

Een zogenaamd normaal mens zou na zo’n ervaring met de dood in de ogen wellicht de pijp aan Maarten geven. Ben zocht echter expres weer de confrontatie met het wrak op om te kijken wat hij nu eigenlijk verkeerd had gedaan. Ben Stiefelhagen: “Ik moest er weer in. Het is mijn werk. Ik kwam er toen achter waar het fout was gegaan. Op onze rug waren we het wrak ingegaan en op onze rug hadden we ook weer het ruim uitgemoeten.” Ook Ben wist zich te redden door te blijven nadenken en niet op te geven. Zijn ervaring en levensdrift brachten hem er toe het gat open te beuken. Liever ging hij strijdend ten onder dan weg te zinken in apathie. Zijn ervaringen onder water met de dood onder ogen waren vergelijkbaar met de meeste ervaringen van mijzelf en die van Bart de Haas.

De dode avonturiers, die niets meer kunnen vertellen, zijn mijn stomme getuigen. Maar hun verhalen kun je meestal alleen lezen als een klinisch verhaal waarom het mis ging. Wanhopig probeerde ik andere wildernisoverlevingssituaties waarbij mensen diep geschokt waren en een trauma hadden opgelopen tot mij te nemen. Maar toen ik de KNRM (Koninklijke Nederlandse Reddings Maatschappij) benaderde om iemand te interviewen die 24 uur in zee had gelegen kreeg ik te horen dat hij niet wilde. De schok van het gevoel van hulpeloosheid was nog steeds te groot. Dat was het verschil met mijn ervaringen en die van Bart de Haas en Ben Stiefelhagen. Dat stelletje arrogante overlevers ging er van uit dat ze wat te zeggen hadden over leven en dood. Wij denken dat we eigenlijk onfeilbaar zijn als we gevaarlijke situaties opzoeken.

Noordpool
Tegen beter weten in zocht ik de ervaren poolreiziger Marc Cornelissen op. Marc had zich zelf bloot gesteld aan de wildernis van de Noord- en Zuidpool. Hij is de eerste Nederlander die op ski’s deze twee punten bereikte. Zijn ervaringen met de dood in de ogen waren al even zakelijk en op handelen gericht. “Tijdens onze expeditie naar de Noordpool kom je op het zeeijs stukken tegen die niet al te betrouwbaar zijn. Op een keer stond ik op zulk dun ijs dat het overal om me heen begon te kraken en het water het ijs op stroomde. Water is het grootste gevaar als je een tocht maakt in het Noordpoolgebied. Mocht je nat worden dan raak je heel snel onderkoeld. En als dat proces in werking treedt ben je in zo’n genadeloos gebied reddeloos verloren. Misschien zou iemand anders dan van angst niets meer doen.

Ik ben gelijk als een gek met m’n ski’s dwars door de schotsen heen gegleden totdat ik weer op stevig ijs stond. Tijdens zo’n expeditie moeten je zintuigen 24 uur op scherp staan zodat je gelijk kunt handelen om te overleven. Je kunt je niet veroorloven ook maar één klein foutje te maken. Niet alleen moet je zorgen dat je niet in de leads, open stroken water tussen het zeeijs, valt maar je moet ook zorgvuldig steeds de omgeving rondscannen. Je begeeft je in een gebied waar achter elke pressure ridge van op elkaar gestapelde ijsschotsen een ijsbeer zich kan verschuilen. En dat is nu eenmaal voor een mens het gevaarlijkste roofdier ter wereld. In het arctische gebied kijk je in wezen dan meestal permanent de dood in de ogen terwijl je die in de vorm van een ijsbeer meestal toch niet ziet. Het is een permanente, tastbare dreiging die zich verschuilt maar waar je aandacht geen moment voor mag verslappen.”

Te poldermodel
Het was duidelijk. Op m’n zoektocht naar de dood in de ogen had ik meer geleerd over het leven. De avonturiers die waren teruggekeerd van schijnbaar dodelijke confrontaties hadden dat zelf niet ervaren als een hopeloze situatie. Ze zochten die confrontatie met als bagage een ruime ervaring. En als het noodlot toesloeg waren ze bereid tot het uiterste te vechten. Daarbij bleven ze hun hersens gebruiken. Een professionele avonturier moest er ook constant op bedacht zijn dat het noodlot elk moment kon toeslaan. Hij is een beetje als een prooi in diezelfde natuur. Immer de oren gespitst of er geen gevaar dreigt en altijd in opperste paraatheid. Ik zelf heb die uitdaging steeds weer nodig omdat het leven in Nederland me te tam is, te inspiratieloos. Eigenlijk te poldermodel. Hoe zat met mijn gesprekspartners?

Bart de Haas: “Mijn leven is het zwerven door de Canadese wildernis. Ik heb geen andere keus dan telkens er weer terug te keuren. Met de wildernis waar ik in British Columbia rondzwerf heb ik ook een sterke band. Ik hoop er ook te sterven. Het mooiste lijkt me op een berghelling, de beesten mogen me dan opvreten.”

“Kort maar hevig leven is mijn motto.”, dat heeft Ben Stiefelhagen dan toch al bijna 50 jaar volgehouden! De Haagse allround avonturier die de wereld van de diepzee tot het hooggebergte verkent is echter geen zelfmoordenaar. “Ik ben niet op zoek naar de dood. Als ik gezond blijf en leuke dingen kan doen ben ik daar heel gelukkig mee. De risico’s moeten voor mij wel aanvaardbaar zijn. Zolang mijn geest en lichaam die berekenbare risico’s aankunnen ga ik door.”

Marc Cornelissen sluit daar en tegen niet uit dat hij opeens iets heel anders gaat doen en de poolexpedities laat voor wat ze zijn. “Misschien pik ik m’n oude beroep als architect weer op. Ik ben iemand die zo maar een compleet andere richting aan z’n leven kan geven.” Een kleine zwenking in zijn bestaan als professioneel avonturier heeft Marc al gemaakt. Z’n ski’s heeft hij even aan de wilgen gehangen. Hij plant een expeditie per zeppelin naar de Noordpool!

Het antwoord op m’n zoektocht waarom avonturiers in het aangezicht van de dood overleefden lijkt een beetje op een ‘positivo’-verhaal uit Amerikaanse zelfhulpboekjes: ‘How to become happy in 24 hours’ of ’20 tips to be a survivor’. Toch lijkt het er op dat mijn antwoord en het antwoord van de andere overlevers is : Stand up and fight of Last man standing. Ook al is de toestand nog zo hopeloos dan is er nog een kans dat je overleeft. Daarvoor vinden we zelfs in het tamme Nederland een geschikt motto. De Zeeuwse wapenspreuk: Luctor et Emergo. “Ik worstel en kom boven.”

Verdien Geld Door Middel Van Online Forex