« Terug naar overzicht

Missie Jan Mayen

Op zoek naar de korte Nederlandse geschiedenis van een eenzaam arctisch eiland

door Ton Biesemaat

Op 71º noorderbreedte, 600 kilometer ten noorden van IJsland en halverwege gelegen tussen Spitsbergen en Groenland, vinden we het eenzame pooleiland Jan Mayen. Dit vroegere Nederlandse pooleiland is ten onrechte in de vergetelheid geraakt. Van 1614 tot ongeveer 1650 maakte het min of meer deel uit van Nederland. Bericht van de Jan Mayen Beerenberg Expeditie wier heilige missie het was dit vergeten stukje maritieme geschiedenis weer onder de aandacht te brengen van het onverschillige Nederland.

Een Nederlands pooleiland
In 1614 zeilt Jan Jacobsz. May, op zoek naar nieuwe walvisjachtgronden, per ongeluk tegen een eiland aan wat nog niet op de kaart staat. Het eiland ziet er niet echt uitnodigend uit. Zwarte lavastranden, steile klippen en sneeuw, veel sneeuw, kenmerken het eiland. Wat hem veel meer dan het eiland interesseert zijn de rondom het eiland voorkomende Groenlandse walvissen. Enthousiast keert May terug naar de Republiek der Verenigde Nederlanden. Vanaf 1614 zetten jaarlijks walvisvaardersvloten koers naar Jan Mayen zoals het eiland dan meestal heet (in die eerste jaren na de ontdekking wordt ook wel gesproken over Mauritius of Meester Joris Eylant). Op de kusten van het pooleiland vestigen zich 's zomers de Nederlanders om er van het spek van de geharpoeneerde Groenlandse walvissen traan te koken. In die tijd waren olie en vetten van de walvis nodig voor verlichting, zeep en leer- en wolbewerking. Met de walvisvangst kon dus veel geld verdiend worden. Tot rond 1642 floreert het vangen van de walvissen rond Jan Mayen. Men bouwt er houten hutten met aan de binnenkant een fundament van bakstenen die uit Nederland zijn meegebracht. De kleine nederzetting wordt verdedigd door een klein fort wat is uitgerust met kanonnen. 's Zomers krioelt het op het strand in de Walvisbaai, de belangrijkste vestigingsplaats van de walvisvaarders, van de mensen. Gedreven door de Hollandse handelsgeest verdwijnt walvis na walvis in de traankokerijen. In die eerste helft van de 17e eeuw is waarschijnlijk Jan Mayen als vangstgebied belangrijker dan het beroemde vangststation Smeerenburg op Spitsbergen. Een schilderij uit 1639 van Cornelius de Man laat in elk geval een traankokerij met hutjes zien waarop de achtergrond de vulkaan Beerenberg te zien is. Die vulkaan bepaalt dominant het landschap van Jan Mayen. Lange tijd gold dit schilderij als een zichtje op het bekende Smeerenburg. Onterecht zoals overduidelijk blijkt uit de afbeelding van de vulkaan die alleen op Jan Mayen voorkomt. De Nederlandse economische activiteit geeft aan veel geografische kenmerken van Jan Mayen een Nederlandse identitieit. Jan Mayen is in wezen een grote vulkaan die onderdeel uitmaakt van de Mid-Atlantische Rug in de Noorse Zee, een lijn van vulkanen die bij een breuklijn staan waar tektonische platen op elkaar botsen. Die noordelijkste vulkaan ter wereld heet nog steeds Beerenberg (2277 meter hoog). Maar ook een benaming als Maria Musch-baai is een verwijzing naar een Rotterdamse zakenvrouw die in de 17e eeuw elk jaar walvisvaarders naar die baai uitzond (een vroeg begin van het feminisme of een Sylvia Toth avant la lettre?). En ook de opmerkelijke rotstoren die bij de Walvisbaai staat heet Brielse Toren, zo genoemd naar de gelijkenis met de kerk in Den Briel. Na 1650 zijn de walvissen rond de wateren van Jan Mayen uitgeroeid en verdwijnen de Nederlanders van het pooleiland. Er is immers geen geld meer te verdienen dus waarom zou je er dan blijven? In 1929 annexeert Noorwegen het vergeten eiland en raakt het ongeïnteresseerde Nederland eigenlijk een uniek stukje grond kwijt!

    Michiel Adriaenszoon de Ruyter en Jan Mayen
    In 1633 voer 's lands bekendste zeeheld Michiel Adriaenszoon de Ruyter ter walvisvaart ook naar Jan Mayen. Hij was toen stuurman op de Groene Leeuw onder schipper Jochem Jansen. Waarschijnlijk had de Ruyter daarvoor ook al als matroos of bootsman op walvisvaarders naar Spitsbergen en Jan Mayen gevaren. De Groene Leeuw ankerde na 21 dagen zeilen vanuit Vlissingen bij de westkust van Jan Mayen. In dat seizoen ving de Ruyter zo'n 25 walvissen. Voortdurend werd de Groene Leeuw daarbij bedreigd door ijsvelden en stormen. In 1634 en het jaar daarop voer de Ruyter met de Groene Leeuw weer naar Jan Mayen. In 1635 had de Groene Leeuw veel last van zware ijsgang waardoor het schip werd ingesloten door de ijsvelden. 'Op Godts ghenade' werd het schip uiteindelijk de open zee op gedreven. Door de ijsvelden werden in eerste instantie weinig walvissen gevangen. De goede organisatie van de walvisvaarders bleek uit het feit dat een Delfshavens jachtschip post uit het vaderland bracht. De Ruyter : "dat tuys nogh al wel was…". Uiteindelijk was 1635 voor de Ruyter bij Jan Mayen een niet zo succesvol vangstseizoen. Daarna zou hij niet meer terugkeren bij Jan Mayen.

Wat u hier boven gelezen heeft maakte ik mij deel nadat ik op een tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek een vitrinekastje ontdekte met daarin opengeslagen een oud boek. Toen ik het boek aan een nadere inspectie onderworp was ik verkocht. "Jan Mayen Eyland", las ik op een kaart in het boek. Nieuwsgierig dwaalden mijn ogen over de primitieve kaart. Mijn ogen bleven rusten op een kinderlijk getekende vulkaan. "Beerenberg", mompelde ik gefascineerd. Toen ik de verklarende tekst op het kartonnen bordje had gelezen was ik verkocht. Liefde op het eerste gezicht. Jan Mayen, noordpool, kou, pakijs, een vulkaan met een Nederlandse naam. Mijn besluit stond vast daar moest ik heen!

Een mislukte overwintering
Een half jaar later na mijn bezoek aan de tentoonstelling dobberde ik warempel voor de kust van Jan Mayen. Aan boord van het zeiljacht Teake Hadewijch van de auteur en zeezeiler Eerde Beulakker kon ik het Nederlandse aller pooleilanden gaan bezoeken. Gefascineerd staarde ik naar de Walrusbaai waar zich 's zomers meer dan 300 jaar geleden zoveel Nederlandse walvisvaarders verzamelden. Het land lag er nu kaal en doods bij. Sinister, overweldigend, mist, meeuwen, grauw en sneeuw. Zo presenteerde zich het voor ons. Hier had dus ergens het overwinteringsdrama van 1633/1634 zich afgespeeld. Overwinteringsdrama?

Iedereen kent het overwinteringsdrama van Willem Barentsz op het pooleiland Nova Zembla. Exposities, boeken, lezingen en documentaires hebben aandacht besteed aan die roemrijke gebeurtenis. Veel minder bekend is de Nederlandse overwintering in 1634 op Jan Mayen. Die overwintering heeft zich nooit een plaats in de geschiedenisboekjes kunnen veroveren. In de winter van 1633/1634 probeerde kapitein Outger Jacabsz. van Grootebroek met zes metgezellen op het eiland te overwinteren. De heldhaftige expeditie ging ten onder aan de extreme kou, scheurbuik en trichinosis (een ziekte die veroorzaakt wordt door het eten van met darmparasieten besmet ijsberenvlees). Waarom stierven de overwinteraars en probeerden ze eigenlijk te overwinteren? In 1632 werden de Basken die in dienst van de Denen walvissen bij Spitsbergen vingen door de Noordsche Compagnie verdreven. De Noordsche Compagnie was (net als de Verenigde Oostindische Compagnie voor de Indië-vaart) een conglomeraat van steden (kamers genoemd) die deelnamen aan de walvisvangst bij Spitsbergen en Jan Mayen en het monopolie daarop hadden. Toen de Basken door de Hollanders uit het vangstgebied Spitsbergen verdreven werden zeilden ze uit wraak naar Jan Mayen en plunderden daar, nadat de Nederlanders naar huis waren gezeild, de op de stranden aanwezige uitrusting. Ook staken ze de traankokerijen in brand. De Noordsche Compagnie zat met een voor die tijd enorme schadepost van honderdduizend gulden. Om te voorkomen dat dit weer zou gebeuren besloot de Noordsche Compagnie het daarop volgende jaar op Spitsbergen en Jan Mayen een overwinteringsploeg achter te laten die de bezittingen kon beschermen. Daarnaast zou zo'n ploeg door middel van weerwaarnemingen kunnen bepalen of het vangstseizoen kon worden verlengd. Terwijl de overwinteraars op Spitsbergen de lange winter overleefden doordat ze een manier vonden om het lepelblad (een arctische plant welke 's zomers veel vitamine C bevat) te bewaren aten de overwinteraars op Jan Mayen hun voorraad gevonden lepelblad te snel op. Daarnaast aten ze ook vlees van geschoten ijsberen waar door ze trichinosis opliepen, de overwinteraars op Spitsbergen gebruikten ijsberenvlees alleen om vossen mee te vangen. Van het vossenvlees ontvingen ze ook weer genoeg vitamine C en ze maakten er kleding van. Door een fatale combinatie van scheurbuik, ontbering en trichinosis delfden de overwinteraars op Jan Mayen het onderspit. Onnodig zoals de succesvolle overwintering op Spitsbergen uitwees. Helaas mislukte in 1635 een volgende overwintering op Spitsbergen. De Noordsche Compagnie zag verder af van overwinteringen, een beginnende Nederlandse pooltraditie werd in de kiem gesmoord!

    De Teake Hadewych heeft Jan Mayen in zicht
    "Jan Mayen Radio, Jan Mayen Radio, here the Teake Hadewych, 4 miles south of Jan Mayen". Schipper Eerde Beulakker fronst zijn wenkbrauwen als zijn oproep beantwoord wordt door Bödo-radio. Hij kijkt verward op de kaart naar het plaatsje Bödo op het vasteland van Noorwegen. Even denkt hij dat zijn zendvermogen op hol is geslagen. Dan blijkt dat op Jan Mayen een steunzender is opgesteld die ons signaal daar naar toezendt. Bödo-radio zal proberen via de satelliet met Jan Mayen-radio te bellen zodat zij hun radio bemannen. Kort na ons verzoek om contact met Jan Mayen meldt Bödo-radio zich terug. Er wordt niet opgenomen op Jan Mayen! Of we een kwartiertje geduld hebben. Op de radar hebben we Jan Mayen al een tijdje in de peiling. De GPS vertelt ons dat het nog 37 minuten duurt voordat we in Båtvika voor anker kunnen. Op het moment dat expeditielid Koos van Rangelrooij zwarte slierten land door de mist ziet opdoemen, meldt eindelijk Jan Mayen-radio zich. Ze adviseren ons liever te ankeren in de Walrusbaai, de oude ankerplek van de walvisvaarders uit de 17e eeuw. Die baai biedt een betere beschutting tegen de krachtige noordenwind. De route om de zuidkaap van het eiland met z'n vele blinde klippen wordt in de GPS geprogrammeerd. Met deze high tech weten we de eeuwenoude ankerplaats van de vroegere Hollandse walvisvaarders te bereiken. We zijn op heilige grond aangeland of beter gezegd geankerd in heilig water.

Toen we anno 1997 aan land gingen in de Walrusbaai, waar wellicht het overwinteringsdrama had plaats gevonden, brachten we allereerst een bezoek aan de herdenkingssteen voor de omgekomen overwinteraars die daar door de Nederlandse staat is geplaatst. De geschiedenis van die herdenkingssteen illustreert hoe slecht Nederland met zijn poolverleden omgaat. In 1912 begon Nederland zich haar heldhaftige poolverleden op Jan Mayen onwillig te herinneren. Dat was de schuld van een Engelse expeditie. Hun aanbod, om een herdenkingssteen voor de zeven omgekomen Nederlanders op Jan Mayen te plaatsen, schudde het nationale geweten even wakker. Er werd een drieduizend kilo zware herdenkingssteen gemaakt die door de Engelsen op Jan Mayen zou worden geplaatst. In 1912 en het daarop volgende jaar lukte het de Engelsen niet het door pakijs onbereikbare Jan Mayen te benaderen. De daarna volgende Eerste Wereldoorlog gooide nog meer roet in het eten zodat de herdenkingssteen op de Nieuwmarkt in Amsterdam belandde waar niemand meer wist waar de steen met de inscriptie "Outgert Jacobsz van Grootebroek en zijne Hollandsche makkers zijn in april 1634 hier bezweken bij eene poging tot overwintering" thuis hoorde. Dat Outgert en zijn makkers niet waren omgekomen bij een overwintering in Amsterdam was nog wel duidelijk maar waar dan wel dat was iedereen vergeten! Pas in 1926 ontrafelt een bestuurslid van het Aardrijkskundig Genootschap het raadsel van de steen. Niet dat de steen toen onmiddellijk naar Jan Mayen werd verscheept, dat vond het zuinige Nederland veel te duur. Helaas kwam in 1929 de Franse poolreiziger Charcot met het voorstel om de steen op zijn kosten op Jan Mayen te plaatsen. Toen was eindelijk de nationale trots te veel gekrenkt. Men wimpelde zijn verzoek af en de regering besloot in 1930 een marineschip naar Jan Mayen te sturen om eindelijk eens die herdenkingssteen te plaatsen. Zo kwam er een voorlopig einde aan een nationale klucht.

Voorlopig, want we ontdekten dat het droevig gesteld was met het monument. De inscriptie was totaal onleesbaar geworden. We besloten er ter plekke wat aan te doen. Met een viltstift werd de inscriptie voor de zeven Nederlandse overwinteraars weer leesbaar gemaakt. Een voorbeeld van poolgraffiti voor het goede doel!

IJsberen
Op Jan Mayen is tegenwoordig een Noors weerstation gevestigd. Van de bezorgde commandant kregen we toen we zijn poolstation bezochten een geweer in de handen geduwd. "Tegen de ijsberen", deelde hij ons mee. Normaal gesproken komen er tegenwoordig 's zomers geen ijsberen op Jan Mayen voor. De ijsberen komen mee met het pakijs dat 's winters ten gevolge van zeestroming het eiland bereikt, weer vertrekt en terug komt. Op het zeeijs jagen de beren op zeehonden. Alleen een ijsbeer die bij wijze van spreken de laatste ijsschots mist kan 's zomers wel eens op Jan Mayen rondzwerven. Dat is dan ook gelijk een hele hongerige ijsbeer. Op Jan Mayen is 's zomers niets te eten voor een ijsbeer. Een argeloze menselijke bezoeker wordt dan al gauw een aantrekkelijk doelwit. Dat het risico klein is maar niet zonder gevaar bewijst een spannend verhaal uit 1979. Twee mannen van het weerstation zaten in een klein hutje 200 meter van het hoofdgebouw. Ze waren als radio-amateurs bezig om verbinding te leggen met andere radio-amateurs waar ook ter wereld. Verbinding met het weerstation slechts 200 meter verder hadden ze echter niet. Opeens werd het hutje aangevallen door een erg hongerige ijsbeer. Ze waren genoodzaakt een gesprek tussen een radio-amateur op de Canarische Eilanden (!) en een landgenoot op het vasteland van Noorwegen te onderbreken. Hun noodkreet werd opgevangen en men trachtte het weerstation op Jan Mayen te bellen. Tevergeefs, men nam in het weerstation niet op. In uiterste nood, de ijsbeer was aardig op weg de deur in gruzelementen te slaan, maakten ze contact met de Shetland Eilanden. Toen kon eindelijk contact gemaakt worden met het weerstation. Toen de reddingsploeg uitrukte en de ijsbeer neerschoot was de deur bijna ingetrapt door de ijsbeer. De twee mannen stonden in doodsangst achter de deur met als hun enige wapen een brandblusapparaat! In de 17e eeuw hadden de walvisvaarders 's zomers veel meer last van ijsberen. Gedurende die tijd was het klimaat 1 tot 2 graden kouder dan tegenwoordig. We spreken dan ook wel van de Kleine IJstijd. In de hoogtijdagen van de Jan Mayer walvisvangst was het in sommige jaren door pakijs onmogelijk het eiland te bereiken. De uitgebreidere zeeijsvorming maakte het voor de ijsbeer mogelijk ook 's zomers regelmatiger Jan Mayen met een bezoek te vereren. Zo werden er bijvoorbeeld in 1628 70 ijsberen door de Nederlanders geschoten! Verwacht mag worden dat door de stijging van de temperatuur door het broeikaseffect het spoedig met het verblijf van ijsberen op Jan Mayen gedaan zal zijn.

De storm van de Beerenberg
Als hoofddoel voor de expeditie hadden we onze zinnen gezet op de beklimming van de stratovulkaan Beerenberg. Dit is een actieve vulkaan die bij erupties in 1970 en 1985 nog nieuw land op de zee veroverde. Door het meestal barre klimaat op het eiland: een bijna permanente mistbedekking gecombineerd met af en toe sneeuwstormen is het voor het weerstation soms onmogelijk om te ontdekken dat de Beerenberg een uitbarsting heeft. Zo moesten ze van een overvliegend Japans vliegtuig te horen krijgen dat de Beerenberg in 1970 haar grootste eruptie aller tijden had! De bemanning van het Japanse toestel zag rookwolken zoals die ook gezien hadden bij erupties in Japan. De Beerenberg is voor de zeldzame zeiler die Jan Mayen bezoekt een gevaarlijke berg. De vulkaan wordt bedekt door een grote ijskap. Als de relatief warme zeelucht opstijgt en op de ijskap afkoelt ontstaan valwinden (katabatische stormen) die soms gemakkelijk 100 kilometer per uur halen. In de geschiedenis van Jan Mayen zijn genoeg voorbeelden van ongelukken te vinden die zijn te wijten aan deze verraderlijke stormen.

In 1633 grijpt een plotselinge valwind die van de Beerenberg komt aanrazen een sloep. De sloep slaat om en slechts Thijs Sijvertsz. van Enckhuizen, die als enige kan zwemmen, weet zich te redden en klimt op de omgeslagen sloep. Een dag later vaart commandeur Adriaen Minnes van Rotterdam uit en gelooft z'n ogen niet. Hij ziet een man op een omgeslagen sloep heen en weer wandelen. "What whilt ghij my quaet doen?", zou een verwarde Thijs tegen de commandeur hebben geroepen. Thijs was doornat, koud en had z'n vijf kameraden voor z'n ogen zien verdrinken. De commandeur weet hen met 17e eeuws therapeutisch praten aan boord te krijgen. Thijs herstelde en kwam weer tot "syn vorige gesontheyt". In 1961 slaat de zeilboot van een Engelse expeditie om. Ook die boot werd gegrepen door een valwind. Slechts één lijk spoelt aan. Die man, genaamd Jack Cole, rust nu aan de voet van de Beerenberg. Hij had dezelfde droom als ik. De Beerenberg beklimmen.

Brocken Spook en middernachtzon
Drie uur 's nachts en de zon staat flink boven de horizon. Ik kijk in de krater van de Beerenberg. "Zouden al die walvisjagers nu vanuit de hemel op ons neerkijken?", vraag ik me af. "Zij ze trots dat Nederlandse voetstappen op de top van de Beerenberg staan?" De krater is opgevuld met een vlak dekbed van ijs waaruit de Weijprecht-gletsjer zich een immens gat geboord heeft wat de kraterrand heeft doorbroken. Die waanzinnige stroom van ijs wordt pas gestuit door de nog grotere kracht van de zee. Met in het water donderende ijstorens wordt de gletsjer verslagen. Op de top ben ik zo moe dat ik geen emotie voel. De maanden van dromen en hard werken, de gevaarlijke klim naar de top. Het doet me weinig. Ik denk slechts aan de terugweg. "Straks bij de afdaling moet ik niet in één van de ontelbare gletsjerspleten verdwijnen.", prent ik m'n uitgeputte brein in. Concentreren, concentreren. Tijdens de afdaling kijk ik, alsof ik in een vliegtuig zit, uit over een immens wolkendek. Op de wolken is de schaduw van de vulkaan geprojecteerd. Exact op de top van de schaduwberg staat een halo van licht. Mijn adem stokt in de keel, dit heb ik nog nooit gezien. Later kom ik te weten dat dit verschijnsel Brocken Spook heet en alles te maken heeft met lichtbreking.

Na 27 uur onafgebroken in touw geweest te zijn bereik ik de in de ijskap ingegraven tent. De Beerenberg is overwonnen. De brander is kapot dus van sneeuw smelten om onze uitgedroogde kelen te genezen komt niks. Uitgeput kruipen we in onze slaapzakken. De dag na de beklimming skiën we over de uitlopers van de Beerenberg richting Maria Muschbaai. Op 40 meter boven zeeniveau, vlakbij het lavastrand, hoor ik een door hart en ziel scheurende schreeuw. Ik snij de staalkanten van m'n ski's in de sneeuw, stop en kijk achterom. Koos is gevallen en doorbreekt met z'n door pijn aangedreven kreten de oorverdovende stilte van Jan Mayen. Z'n voet hangt er vreemd bij. Enkelbanden gescheurd, zwaar verstuikt of gebroken? We weten het niet. Wat we wel weten is dat het een moeizame terugtocht wordt naar het weerstation, 25 kilometer verder weg. Gelukkig weet Koos door enorme wilskracht gedreven hinkend verder te gaan. Als we via de portofoon de basis inlichten beloven ze ons via het ruwe lavastrand een terreinwagen te sturen om ons op te pikken. Opgelucht zien we als we op het strand lopen en hinken de wagen inderdaad komen aanhobbelen. De wraak van de Jan Mayen is genadig geweest.

Geraadpleegde literatuur:

  • Ronald Prud'homme van Reine - Rechterhand van Nederland Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter
  • Noord van de zee - Eerde Beulakker
  • Brandend IJs - Ton Biesemaat
  • Jan Mayen - Jan Brander
  • Walvisvaarders op avontuur - A. Bijl
  • Ter Walvischvaart 6-delige radioserie VPRO - Ton Biesemaat en Marnix Koolhaas

    « Terug naar overzicht


  •  ton@minus10media.nl© Ton Biesemaat-10° Media producties